Loading ...
Sorry, an error occurred while loading the content.

Fw: Lijst van jiddische woorden

Expand Messages
  • Teijo Doornkamp
    Lijst van jiddische woorden die in winschoten werden gesproken:Deze lijst is voor jullie wellicht ook wel aardig... Teijo Lijst van jiddische woorden die rond
    Message 1 of 1 , Jan 31, 2007
    • 0 Attachment
      Lijst van jiddische woorden die in winschoten werden gesproken:Deze lijst is voor jullie wellicht ook wel aardig...

      Teijo

      Lijst van jiddische woorden die rond winschoten werden gesproken:


      Aainzaalm- halve gare

      Aalsknoak - stuk ongeluk, geen gewone

      Achielen - eten

      Achiele tof - smakelijk eten

      Toffe achiele - lekker eten

      Afrojemen - verkennen

      Atenoje - deksels

      Attelemiese - iemand..slaan, doodslaan

      Asjeweine - wegwezen



      Baais -huis

      Baal - heer

      Baiko stiepen - slaag geven

      Bamsder - boemelaar

      Barach - schurftige hond(scheldwoord)

      Basserool - snuiter

      Bedibberen - vertellen

      Bedizzen - verdienen

      (in de) Begeisje - gezamenlijk,tezamen

      begeisjerd - boos

      Begest - slim,goochem

      ('t oal ) begein - het oude mens

      Begiete - bang

      Beginnem - goedkoop

      Begoosje - half

      Behoje - kut

      Beigoochem - eigenwijs

      Beimer - vaars

      Beis - politie agent

      Beis hebben - ruzie hebben

      Beisje - dubbeltje

      Beisjeren - lopen

      Beisrooltje - joodje

      Bekaan nemen - te pakken nemen,gevangen nemen

      Bekattering - bekeuring

      Bekneist - goochem

      Bemazzeld - geluk gehad hebbende

      Ben - zoon

      Benibbeld - verdiend

      Benosselen - betalen,bedriegen,bestelen

      Benteren - lopen

      Besietum - centen

      Besjausteren - betalen

      Besol - goedkoop





      Hai is 'n falderappes en zai 'n flaare




      Besolletje - koopje

      Beseibelen - afzetten , bedriegen

      Berrement - bed

      Berieje - fors persoon(meestal vrouw)

      Besjoemelen - bedriegen

      Besjollemen - betalen

      Besmatten - handel

      Besoles - ziek,bedorven

      Bewounes -vreselijk,verschrikkelijk

      Bok - honger

      Betoeft -rijk

      Bewiegelen - verdienen

      Bimke - man

      Binke - man(de ol binke - vader)

      Bollebof - heer des huizes

      Bolleboffin - waardin

      Bolleboos - directeur van de gevangenis

      Bolus - gebak ( ook: keutel)

      Bommel - uur

      Bonkezuiker - iemand aan wie geen cent te verdienen valt

      Bonje - ruzie

      Bonske - appels

      Boogerd - man

      Boosder/ Bozerd - vlees

      Bout - keutel

      Boutkit - plee

      Bout achelen (dat kin mie de bout achelen) - dat kan mij niet schelen

      Bouten - poepen

      Brauges - kwaad

      Broge - geluk

      Bronsen - (zwaar) slapen

      Buizerd - zuiplap

      Buizen - drinken

      Bullement - bed, strozak

      Buns - bang





      Chammere /chammel - ezel, domoor

      Chammeren - werken als een ezel

      Chesjiewes - belangrijke man







      Daalven - bedelen

      Dalles - armoe, niks

      Dallesdekker - opschepper, iemanddie niets heefd

      Dalven - bedelen, zwerven

      Damper in de ros - sigaret in de mond

      Gedeisd - stil,gedekt houden

      Deizen - wegwezen

      Deis om even - ga even weg

      Dibberen - praten, vertellen

      Diepen - geven, doen

      Dikke sorie - aanstellerij, kouwe drukte

      Dorms - getikt

      Dormen - slapen

      Droosjes - geintjes (gain droosjes)





      Ei mei - vijfhonderd gulden

      Eikel - kalf - zai zat mit eikel,(zij is zwanger)

      Eiters - borsten

      Eiterpenozers - borsten

      Emmelen - vlug, onnauwkeurig wassen

      Emmes - werkelijk,ook:prachtig

      Eukentje - cel, nor





      Falderappes - gespuis, gemene vent

      Fenotters - ogen, brilleglazen

      Fitten - handen

      Flaare - vrouw ( ongunstig )

      Flammen - stinken (hai flammt oet de paige- hij stinkt uit de mond)

      Floite - kut

      Fok - bril

      Fonkel/ fonkert - jenever, borrel

      Fonkhoes - kroeg

      Fotsdinkie - ding van geen waarde

      Fotse - scheet

      Fotsen - poepen





      Gaaie - ander volk, niet jood

      Gaasje - geitje

      Gabber - makker

      Gabberoeze - ongezien

      Gadder - spek, varken

      Gai - baas

      Gain poosjein de melef - geen cent op zak



      Gain sjoege - geen andwoord,geen verstand

      Gallef - mes

      Galstert - gemene kerel

      Gannef - schurk

      Gannefschore - spul wat van diefstal afkomstig is

      Ganneke - brand

      Gappen - stelen

      Gartenkosje - mooi meisje

      Gatje bangeroe - tabak

      Gawroeze - familie, gezelschap

      Gazzan - voorzanger in de synagoge

      Gazzer bozerd - varkensvlees

      Gedallest - doodarm

      Gazzer - varken

      Gein - plezier

      Geklats - geknoei

      Gemieme - hitte

      Ges - pienter

      Gesjochten - zonder geld( oh ,mijn gesjochten - bewaar me er voor)

      Gesweit - getrouwd

      Geteisem - gespuis

      Getsje - samen handelen

      Gewamst - gespierd,sterk

      Gezeries - uitschot, rommel

      Giebel - neus (voorgevel)

      Glimmer - oog,ruit

      Goelie - stuiver

      Goi - niet jood

      Gokkel - grote neus

      Goluf - melk

      Gontel - hoer

      Gontelspiese - bordeel

      Goosderd - geslepen iemand

      Goref moaken - stuk maken,iets mis laten gaan

      Gorrel - iemand met een geel gezicht (minachtend)

      Ain gortbek snieden - bekkesnijder

      Gosjemole - gek

      Goumel - gebed

      Gozer - man

      Grobelen - stelen

      Grom - kind

      Grompie - klein kind

      Gulpe - snede inde wang, kut

      Gijn - lol

      Gijnponum - lolmaker

      Haauwe - slaag

      Hai is op de riddel - hij gaat met andere vrouwen

      Hampelen - ruilen

      Heibel - ruzie

      Heitje vinder - kruimeldief

      Heivel - niet te vertrouwen

      Herriekit - kroeg

      Hiebe - slaag

      Hiender - paard

      Horemus - ruzie







      Ibbel - tureluurs

      Iesje - vrouw ( ongunstig)

      In de knippe -samen handelen

      In de smiezen - in de gaten

      Intreks - inde zak nemen, inpikken ,op zak





      Jaauwen - luizen

      Jajem - jenever

      Jakkes - duur

      Jammen - aardappels

      Jantje sjoref - jenever

      Jatter - dief

      Jatmoos - handgeld

      Jatmouzen - kleinigheid stelen

      Jatten - stelen

      Jatschore - gestolen goed

      Jatslag - diefstal

      Jeiles moaken - schreeuwen

      Jelole moaken - drukte maken

      Jelolem - kind

      Jek - politie agent

      Jenten - jaren

      Jenzen - neuken

      Jidde - jood

      Joegele bom - slechte koffie of thee

      Joekel - hond

      Joepe - vuil water

      Jomtof - zondag

      Jomtof pigge - zondagse sigaar

      Jonne - vrouw

      Joppe - fijn / goed

      Jouke - duur

      Joune - bochel

      Jovel - leuk

      Joetelef - tien keer honderd gulden

      Kaainen - stinken

      Kajim - jood

      Kalletje - meisje

      Kaps - blut, van alles beroofd

      Katerouges - grafsteen

      Katser - slager

      Kauge - sterk

      Kavveriele - boeren

      Katsjeweine - slag, opdonder

      Kedin - lekker,goed,in orde

      Kees is in de snaaiem - pruimen (kauwtabak)

      Keifroof - kerkhof

      Keile - borrel

      Keilef - hond

      Keinen - kopen

      Kemelen - kaarten

      Kemels - luizen

      Keper - kut

      Kerrelinne - manwijf

      Kesies - lelijk gezicht

      Kin - akkoord, in orde

      Kinnef - luizen

      Kinnesinne - afgunst

      Kinnesinneponum- jaloers mens

      Kit - keet, kroeg

      Kits - in orde

      Klatser - iemand die met de prijzen knoeit iemand die zijn vak niet verstaat

      Klatsjen - knoeien,beneden de prijs verkopen

      Kleizen - ballen

      Klevieren - handen

      Klene - drukte, herrie

      Kleur - geld

      Klole - vloek

      Kloune / klounevogel - pech/.pechvogel

      Kluf - pak, kostuum

      Knaare - oud wijf

      Knar -hoofd

      Kneis - sluw,goochem

      Kneizen - begrijpen

      Knis - kaal hoofd

      Knissen - stenen

      Kodies - gereformeerden

      Koedelomke - klein dik wezentje

      Koef - niets

      Koef noen - voor niks

      Kof - mooi rond (lichaam )

      Kokkert - neus

      Korries - aardappelschillen, jenever

      Kottens / kotters - kinderen (jongens vooral )

      Kosje - meisje

      Kousjer - gezond

      Kroder - fiets

      Kover geven - voor schut zetten

      Krats - kleinigheid

      Kratser - gierigaard

      Krets - schurft

      Kren/ krijn - niets

      Krule - kleine piemel

      Kullen - mislukken

      Kwinte - huis (bouwvallig )





      Laaiter - slaag

      Lauw / lau loene - niet /niet doen

      Lauwdieper - luilak

      Lau sjoege - geen verstand

      Laudiepen - niks doen

      Lau giebes - mispunt

      Lau makke - kan me niks schelen

      Lauske - ei

      Lausies - eieren

      Leg mie de klole er nait op - bederf me de boel niet

      Leizen - in de maling nemen

      Lebbait - ziek, kapot

      Lef - moed

      Lemone - meisje

      Leveige - meisje, vrouw

      Leviege - niets

      Link - gevaarlijk , slim

      Linkmiegel - gevaarlijk persoon

      Loen - vals

      Loenenaar - verrader

      Luim - bed

      Luimen - slapen

      Luimkit - slaapstee

      Luimspiese - logement







      Maaiem - water,regen

      Maaiemtjeis - kut

      Mafspies - logement

      Makke - gebrek, slaag

      Makkement - gebrek,zorg

      Mamzer - bastaard, sterke kerel

      Mangen - bedelen, vragen

      Mans de menibbe - slecht mens

      Marro - brood

      Massematten - handel, koopwaar

      Mazzel - geluk

      Mecholle - kapot

      Mees - geld

      Megochel - ruw wijf

      Megome - oorlog

      Meimus - dood

      Meips - slecht, lelijk

      Mekaaiem - slaag

      Mekif - geld

      Meloffem - werk

      Meluk - gevangenis

      Melispezer - zakkenroller

      Melogem - werk

      Melogemen - neuken

      Melogemkit - bordeel

      Menoege - rust

      Merode - armoede, ongeluk

      Meseive - grafsteen

      Mesjokke - gek

      Metsieje - koopje

      Mesietem - centen, geld

      Mesjama - ziel

      Mesjokken oas - idioot, gek

      Mesjollemen - betalen

      Mesomme - geld

      Miegen - piesen

      Mies - lelijk,slecht

      Miese glimmers - slechte ogen

      Miesgaster - slechterik

      Miesponum - lelijk gezicht

      Miesemenobel - lelijk ( uiterlijk )

      Misjpoge - familie

      Mitte - bed

      Moaze - kont

      Moeteren - piesen

      Mokkel - meid

      Mole- dronken

      Molef - dronken

      Mole in 't rosje - getikt

      Mollie - kapot,dood

      Mom - gebrek

      Mom gosje - hoer (letterlijk stomme meid )

      Mommels - tanden

      Moos - geld

      Mos - meisje

      Muif - mond

      Nabbelen - slachten

      Nasjen - lekker eten(ook stelen)

      Nepschore - slechte goederen , gespuis

      Neweire - jammer,zonde

      Nieges - slecht, ondeugelijk

      Nifteren - doden, vermoorden

      Noppes - niks

      Nostert - grote neus

      Nule - grote piemel







      Oetsen - op stang jagen

      Ofgetippelt - weggelopen, ook: gereformeerd

      Ofpeigerd - dood, dood gegaan

      Ofsjereizen - weggegaan, sterven

      Olem sjolem - dood

      Oter gaaie - buiten volk(mensen van buiten)

      Otte - dommerd





      Paaiges - bang

      Paige - mond

      Palternaksie - rotzooi

      Paane - lelijk gezicht

      Parnas - bestuurder joodse gemeente

      Parregponum - zeer hoofd, lelijke kop

      Patsef - kop, hoofd

      Patter - weg, kwijt, failliet

      Patteren - kwijt willen

      Patterschore - rommel die je kwijt wild

      Pegel - gulden

      Pei - stil,dood

      Pei maf - stil zijn

      Peige - overleden

      Peigeren - sterven

      Peiger - dood, kapot

      Peizeltje - beeldschoon meisje

      Pengeljatten - (waarschuwing) lange vingers

      Penoze - onderwereld

      Pestponum - kwaadwillege

      Peuling - voet

      Pezen/pezelen - werken

      Piegem - kind, klein wezen

      Piejengels - aardappelen

      Pioot - luis (pioters)

      Plaai - dronken

      Plierke - zeurkous

      Poe - vrouw

      Poerem - drukte, lawaai

      Poerrie - oude vrouw

      Ponem - gezicht

      Poosje - cent

      Pooven - slapen

      Poter - weg (wegwezen)

      Pore - koe

      Praai - boze vrouw

      Praaien - polsen, aanroepen

      Preisje - oude vrouw

      Prente - tanig oud wijf

      Preute pit - kut

      Puut - borrel







      Rachmones - medelijden

      Ramschores - uitschot, rommel

      Rauzen - ruw doen

      Rebounder - uitbrander

      Regoosje slachter - ritueel slager

      Reivel - geluk

      Rewegum - winst

      Roeges - ruzie

      Roeien - stelen

      Roien /rojemen - kijken

      Rolleman - woonwagen

      Ros - hoofd





      Sam sam - samen doen,gelijke deel

      Sabbelen - hard werken

      Sauger - koopman

      Sauskes - pinda's

      Sassen/sjassen - piesen

      Schausteren - betalen

      Scheft gaaie- slecht volk

      Scheveel - ding, lichaamsdeel, gezicht, kut, wijf, fors mens

      Schietlonten - luiers

      Schobber - deugniet

      Schoftie - hou je stil,schaam je

      Schokken - betalen

      Schonten - poepen

      Schontbaais - plee

      Schooilappe - verpauperde,slobber

      Schore - handel

      Schorem - niet waar,tuig

      Schotteren - lekker eten

      Schrabber - cent

      Seibel - slecht(e) waar

      Seibelen - zeuren,treuzelen

      Seibelbaais - plee

      Seige - verstand

      Serorre - heer (spottend),opschepper

      Siene/siens - agent van politie

      Siesen - geld,centen

      Sikse - meisje

      Singenet - zaadbal

      Sjaalve - goedige sukkel

      Sjabbes - sabbath

      Sjabbesikse - meisje voor de zondag

      Sjacheren - handelen

      Sjakkelbaais - kroeg

      Sjakkel - borrel

      Sjakkelen - jenever drinken

      Sjanken - trouwen

      Sjas - druk,snelheid

      Sjauve - waard,waarde

      Sjeffen - lopen

      Sjeiger - slecht individu

      Sjeiken - piesen

      Sjekoeris - dronken

      Sjelone - ruzie

      Sjereis - klap

      Sjereive - brand

      Sjereizen - wegwezen

      Sjerochem - stank

      Sjikker - dronken

      Sjimmies - puntscoenen

      Sjoel - synagoge

      Sjoem - vet

      Sjorder - zelfbevrediger

      Sjozzenbozerd - paardevlees

      Skorremen - leugens

      Slamazzel - ongeluk

      Slemiel - sul, ongelukvogel

      Smeigelen - vleien

      Smerrie - pruimtabak,sigaar

      Smiegel - jood

      Smoege - kut

      Smouslegum - paasbrood, jodenbrood

      Snaaiem- mond, gebit

      Snees - heler

      Sniggel - piemel

      Snokkel - vreemde figuur

      Sores - verdriet,zorgen

      Sjos - paard

      Spannen - kijken

      Spekken - kijken, loeren

      Spiekedetten - loeren

      Spiese - logement

      Stiepem - geven

      Sweiten - geven







      Temeier - hoer

      Tepoezels - eieren

      Tes mem - hoer

      Tetert - kont

      Tim tam - kween

      Tinnef - slecht

      Tippelsikse - hoer

      Tjak - slaag

      Tjeis - klap Tjeisen - tanden

      Tjoeren - stelen

      Tof - mooi, goed

      Tofel - oud

      Tofelemone - rooms katholiek

      Togus/ tokus - kont

      Togusponum - blote kontengezicht

      Torderen - verzamelen

      Todert- verzamelaar

      Treders - schoenen

      Trefel - slecht

      Trefelgaaie - slecht mens





      Verjibbe - weg

      Verjibberen - weggaan

      Verkeinen - verkopen

      Verklatsen - verknoeien

      Verknokken - verprutsen

      Vermamzen - verraden

      Vermikje - werktuigje

      Versjakkelen - zich verdrinken

      Versmiegelen - verraden

      Vozen - neuken

      Vrotzak- viezerik







      Wamst - fors, sterk

      Weure - herrie

      Weurespiese - herriekeet

      Wout - politie agent

      Woutekit - politiebureau

      Wijtik - ziekte





      Zonef - piemel









      Tellen













      1 allef

      2 beis

      3 kimmel

      4 dallef

      5 hei

      6 woof

      7 sooien

      8 ges

      9 tes

      10 joed

      11 joed allef

      12 joed beis

      13 joed kimmel

      14 joed dallef

      15 tes woef(negen plus zes;

      joed hei is jh, de naam gods)

      16 joed woof

      17 joed sooien

      18 joed ges

      19 joed tes

      20 kaf

      30 lammert

      40 mem

      50 non

      60 sammeg

      70 sjimmen

      80 zwoanum

      90 tiesjum

      100 meier

      200 beis mei(er)s

      300 kimmel mei(er)s

      1000 eluf

      10000 joed eluf



      geld



      cent - poosje,schrabber,spie,sieze

      halve stuiver - halve goelie

      stuiver - goelie, goerie, bas

      dubbeltje - beisje,hondje,beis bas

      twaalfenhalve cent - stoter(oud hollandse munt)

      kwartje - heit

      gulden - sooven(mv soeven ,uitspr. Soeben)

      daalder - lammert bas (dertig groninger stuivers),lammetje

      rijksdaalder - knaak, rad,achterrad

      tientje - joed

      zes gulden - pond

      viertien gulden - ridder (gouden munt van 14 gulden)

      zeven gulden - halve ridder

      vijfentwintig gulden- geeltje

      honderd gulden - meier,meio

      duizend gulden - rooie rug



      De niet altijd nette jiddisch woorden die rond Winschoten werden gesproken zijn verzameld door redacteur Henk Mulder van de Winschoter courant en gepubliceerd op 4 sepember 1991 in de WC .


      [Non-text portions of this message have been removed]
    Your message has been successfully submitted and would be delivered to recipients shortly.