Loading ...
Sorry, an error occurred while loading the content.

Fw: [welgeborenen] Fw: Yahoo! Groups ZuidHolland-Genealogy Messages Message 2608 of 2772

Expand Messages
  • a.a. van deelen
    Yahoo! Groups : ZuidHolland-Genealogy Messages :Message 2608 of 2772Hierbij gaat een bericht die ik eerder doorgezonden heb aan verschillende andere sites, dit
    Message 1 of 1 , Jan 7, 2002
    • 0 Attachment
      Yahoo! Groups : ZuidHolland-Genealogy Messages :Message 2608 of 2772Hierbij gaat een bericht die ik eerder doorgezonden heb aan verschillende andere sites, dit naar aanleiding van de vraag van de heer van Gils. Met dergelijke informatie kun je een genealogie aankleden voor anderen die daar minder mee bezig zijn en duidelijk maken hoe de mensen eventueel geleefd hebben, in wat voor kommervolle omstandigheden c.q. wat hun blijde inkomsten waren.
      Met vriendelijke groet, tekent
      Harry van Deelen
      ----- Original Message -----











      Home
      Messages
      Post
      Chat
      Files
      Photos
      Bookmarks
      Database
      Polls
      Members
      Calendar
      Promote

      --------------------------------------------------------------

      = Owner
      = Moderator
      = Online





      Message 2608 of 2772 | Previous | Next [ Up Thread ] Message Index Msg #

      From: "a.a. van deelen" <aa.vandeelen@q...>
      Date: Fri Nov 30, 2001 9:14 am
      Subject: Inkomens en waarden in de 17de eeuw en later





      Lectori Salutem,
      Er is soms nogal wat te doen rond de waarden die onze voorouders in hun
      bezit hebben gehad, vaak zijn wij niet bewust van het feit dat de waarde
      welke is opgegeven bij een begravenis, eigenlijk de vastlegging is van hun
      stand en standing, zeg maar de economische voet waarop zij leefden, je moest
      namelijk betalen naar de waarde die men vertegenwoordigde voor de
      belastingen, u ziet het er is niks nieuws onder de zon.
      Op ons onvolprezen internet is er veel informatie over lonen en onkomens in
      vroeger tijd te vinden. (Het copyright van onderstaande informatie behoort
      uiteraard aan de genoemde bronnen, dan wel aan diegenen van wie zij het weer
      hebben verkregen en (hopelijk) met toestemming op internet hebben
      gepubliceerd. Bij voorbaat excuus als het hier weergeven van deze informatie
      iemands copyright schaadt, het gebeurt in ieder geval niet met een
      commercieel, maar met een wetenschappelijk doel, bovendien wordt er conform
      de regelgeving terzake verwezen naar de herkomst.)
      Met dank aan het zoekwerk van de heer Toon v.d. Werf.


      http://www.ecn.nl/zijpe/society/zhb_1997/verhaal.html
      Uit: Zijper Historie Bladen 15.1, p.3-23 (1997). Uitgave van: Historische
      Vereniging "De Zijpe"
      Auteur: L.F(rank) van Loo

      Het dagelijks brood
      Los van de boeren (zie hierna) was de `werkende klasse' in 1828 als volgt
      samengesteld: 194 manlijke en 163 vrouwelijke dienst- en werkboden (meiden
      en knechts vooral bij de boeren), 217 dagloners/arbeiders, 68
      ambachtsknechts/werklieden, 19 pakkers/sjouwers/voerlieden/schippersknechten
      en 11 `rondventers'. Voorts zelfstandige ambachtslieden (smeden,
      timmerlieden), acht bakkers, twintig man in dienst van de polder en tien bij
      de gemeente (onderwijzers, politie). In de sector verkeer en handel zien we
      64 schippers/kooplui-winkeliers/herbergiers/grutters en een graanhandelaar.
      Dat was Gerrit Blaauboer, eerst wethouder en van 1826 tot 1841 burgemeester
      van Zijpe.
      > Veel kostwinners hadden een combinatie van beroepen in die tijd. Zo was
      politieman Voorthuysen ook vrachtrijder (met paard en wagen), boerde hij met
      twee koetjes en verhuurde hij drie kamertjes in zijn huisje aan drie
      gezinnen... Vrouw en kinderen werkten ook meestal om het gezinsinkomen wat
      aan te vullen. Aanvullen, want ze kregen veel minder dan de mannen.
      >
      > De dagloners/arbeiders hadden een loon in 1840 van gemiddeld f. 0,60 tot
      f. 0,75 per dag, als er werk was. Aan huur betaalden ze twee kwartjes tot
      zestig cent per week en volgens het gemeentebestuur was het inkomen "te
      gering om daarvan iets op zij te leggen". Bij strenge vorst en vaker in de
      winter of bij ziekte ontvingen deze mensen geen loon en dan was het dus
      armoede. De gemeente of kerk moest bijspringen met wat geld en wellicht
      brood. Ook op kerkelijke feestdagen werd er niet gewerkt en ontving men dus
      geen loon. Een kerstpakket met voedingsmiddelen hielp in het verleden om de
      eerste kerstdag, die niet per definitie op een zondag viel, door te komen.
      >
      > http://www.richel.org/sbo/vdmuelen.htm
      > Vaderschap in de achttiende eeuw: de gebroeders Van der Muelen
      > Door Benjamin Roberts
      > In een noot bij dit verhaal staat:
      > De Jong (1987), 100-102. Burgemeester Six van Amsterdam
      schonk in 1730 de opbrengsten van het ambt van postmeester te Antwerpen als
      pillegift. Het betrof een jaarlijks inkomen van fl. 11.678 Volgens het
      dagboek van de zeventiende-eeuwse Engelse predikant Ralph Josselin waren
      peetouders vaak verwanten: MacFarlane (1970), 145
      >
      > http://www.users.skynet.be/Ravels-Weelde-Poppel/nieuwe_pagina_1463.htm
      > De parochie van St.-Michiel
      > Uit: Ravels, Weelde, Poppel Welkom op deze website! Hier vindt u actuele,
      genealogische en historische informatie over "De Drie Goddelijke Deugden",
      want zo worden Ravels, Weelde en Poppel sinds oudsher genoemd.
      >
      >
      > Het inkomen van de pastoor
      > Wij kunnen hier niet ingaan op al de bezittingen, schenkingen en lasten
      die ten voordele van de parochiekerk en de pastoor vermeld worden in de
      onderscheiden kerkrekeningen, manuales en dokumenten. Toch lijkt het ons
      interessant even na te gaan wat bv. in 1770 het inkomen was van de pastoor
      wat betreft het regulier beneficie. Wij vonden in een verslag desbetreffende
      de volgende gegevens. Het regulier beneficie behoorde aan de abdij van
      Averbode. De voordelen waren:
      >
      > 1. De pastoor bekwam een derde van de oude of grote tiende van heel het
      dorp Weelde. Opbrengst: 200 viertelen rogge per jaar.
      > 2. Hij genoot de gehele novale tiende
      > 3. Een derde van de vlastiende was voor hem, indien het vlas gewonnen werd
      op oude erven. Op de nieuwe erven had hij de hele tiende.
      > 4 Een derde van de lammertiende kon hij ontvangen op oude erven, maar de
      gehele tiende op nieuwe erven
      > 5. De panes praebentales brachten hem steeds 14 pond brood op per 380
      roeden zaailand. Diegenen die zoveel grond niet bezaten doch er zelfstandig
      woonden, gaven 7 pond. Nochtans, vermits de inwoners niet wilden voldoen aan
      de panes en de pastoor ermee akkoord ging, had dit in negen jaren niets meer
      opgebracht
      > 6. Daarbij bezat de kerk nog gronden waarvan de pastoor de huur mocht
      opstrijken:
      > a) een boerderij met hof en aanstede in het Laar: 1400
      roeden oppervlakte
      > b) de weideakker tegenover de hoeve: 300 roeden
      > c) een drieske van 51 roeden
      > d) de Poppelse akker: 300 roeden
      > Als bijkomende bezittingen geeft men in 1755 nog op:
      > 1. De Ossenvennen: 150 roeden
      > 2. Een heideveld: 200 roeden
      > 3. Een perceel genoemd de Borcht met weide en een klein
      hofke: 270 roeden.
      >
      > Naast dit regulier beneficie waren er blijkbaar nog andere schenkingen,
      legaten, gunsten, gewoonten en benefici�n. Doch ook dit inkomen was niet
      standvastig en men kon er niet altijd even grote onkosten mee dekken. In de
      armoedige toestand bij het begin der zeventiende eeuw was er reeds een
      verzoek ingediend door de "regeerders" van Weelde bij de prelaat van
      Averbode. Zij opperden dat de bevolking erg "gedepaupereert" was door de
      pestilentie. De prelaat beloofde dan de pastoor te helpen en schreef hun dat
      die ziekte (pest) een genade was van de Heer almachtig. Nog kwam er echter
      geen werkelijke welstand. De bevolking was niet bij machte sterk te steunen
      en de inkomsten waren te klein om alles te onderhouden (kerk, pastorij,
      kerkelijke goederen, enz). Hierover werden vele brieven geschreven om steun
      en hulp van de abt. Wij weiden er elders uitvoerig over uit.
      >
      > Op 21 februari 1686 deed de pastoor zijn beklag over de daling van de
      prijs van het graan. Hij vreesde niet te kunnen bijdragen in de onkosten,
      vermits hij ook de onderpastoor moest onderhouden. Deze laatste moest ter
      plaatse resideren, omdat er 500 communicanten waren en 100 scholieren. Op 19
      mei 1700 kwam er echter een ordonnantie vanwege het Hof van Brabant. Van nu
      af moesten de pastoors met minder dan 300 gulden inkomen geen 20e penning
      meer betalen. Die met een inkomen tussen 300 en 450 gulden betaalden 20e
      penning van hetgeen ze bezaten. Pastoor Otgeri betaalde 37 stuivers.
      Nochtans werd het leven duurder en in 1772 lezen wij in het handboek van een
      pastoor een en ander over zijn toestand. Wij hebben hierboven reeds gezien
      welke inkomsten hij in die tijd had en laten hier nu een en ander volgen
      inzake zijn uitgaven en onkosten. Hij klaagt erover dat het bier zeer slecht
      was en hij gedwongen was steeds wijn te schenken aan de "hospites en de
      paters stationarissen en anderen van eenig tracteer". Elders konden de
      pastoors meer doen met een gulden dan de pastoor te Weelde met 4 of 5
      schellingen. De pastoor moest aalmoezen geven, "bezwaart met de bestiering
      van den armen". Hij moest paters stationarissen logeren, maar ook anderen
      die kwamen bedelen voor hun kloosters met de permissie van de bisschop. Hij
      moest de "landtdeken bij visitatie tracteren en logeren". Reeds drie
      "reysen" had hij de bisschop bij het vormsel moeten logeren en trakteren. De
      hele tiende van Weelde, overgebracht in het cahier van 1686, bedroeg 1253
      gulden. Het was nog juist de waarde van toen ze verpacht was. Dit was de
      schuld van de sekretaris, die een "papenvijandt" was. Honderden jaren was de
      tiende minder verpacht geworden. De pastoors hadden verschillende jaren geen
      "genoegzame competentie" gehad. De tiende was merkelijk beginnen te
      "augmenteren" in 1748 of 1749. Aldus kunnen wij vaststellen dat de pastoor
      voortdurend te klagen had over zijn inkomen en blijkbaar moest onderdoen
      voor zijn kapelaan, die zich zelfs kon verheugen in een zekere overvloed en
      die aan de kerk heel wat kon voorschieten. Anderzijds zien wij zelfs, dat de
      schout en de schepenen een beroep doen op E.H.Van Lummen, gewezen kapelaan,
      om hun van de middelen van de kapelanie een lening af te staan van 200
      gulden tegen 3% om te gebruiken tot betaling der "Fransche contributie zo in
      de groote magazijnen als andersinds", alsmede tot betaling van de leveringen
      van de Keizerlijke troepen.
      >
      > http://geneaknowhow.net/faq/dagelijks-leven/geld.htm
      > GELD -- Achtergrondinfo-dagelijks leven
      > Waarde van het geld
      > Regelmatig worden er vragen gesteld in de trant van: mijn
      over-overgrootvader erfde 1000 gulden in 1850. Hoeveel zou dat nu waard
      zijn? Wat moet ik me daarbij voorstellen? Een antwoord op dergelijke vragen
      is lastig te geven. Je moet niet alleen kijken naar de geldontwaarding die
      zich de afgelopen 150 jaar heeft voorgedaan. De waarde van het geld hangt
      ook sterk samen met de goederen waaraan je het kunt uitgeven. Met die
      1000gulden zou hij b.v. een huis hebben kunnen kopen, maar dat was een huis
      zonder sanitair, electriciteit, luxe keuken, badkamer. Er zou geen dubbel
      glas in zitten, het zou geen spouwmuren hebben hebben en de ruimte zou ons
      vermoedelijk ook wat tegenvallen. Je kunt dus niet zeggen dat die 1000
      gulden van 150 jaar geleden, nu 300.000 gulden waard is. Dit geldt ook voor
      de besteding van het loon. Vaak ging 70% of meer van het inkomen op aan
      eerste levensbehoeften: het grootste deel daarvan aan eten(brood,
      aardappelen, pap). Stel je eens voor dat je nu voor 1500 gulden per maand
      brood (of aardappelen of pap, of een combinatie daarvan zou opeten), dat is
      25 broden per dag per gezin of 50 kilo goedkope aardappelen! Een andere
      factor, die vergelijking bemoeilijkt, is de verschillende belastingheffing.
      Tenslotte: door massaproduktie en invoer uit de derde wereld zijn sommige
      produkten verhoudingsgewijs veel goedkoper geworden. Kousen stoppen loont
      niet meer en naar de schoenmaker gaan is alleen verstandig als het om dure,
      enigszins traditioneel vervaardigde, schoenen gaat. Al met al is heel
      moeilijk om een goede vergelijking te maken.
      >
      > Daglonen
      > De daglonen lagen in de 18e eeuw op het platteland in het westen rond de 1
      gulden per dag, in het zuiden en oosten lag dit tussen de 10 stuivers en 1
      gulden per dag. Voor een vakman iets meer, voor een knecht wat minder. In en
      rond de steden lagen de loonkosten hoger (het dubbele). Er werd onderscheid
      gemaakt tussen inhuren 'met de kost' en inhuren 'op eigen kost'. In het
      eerste geval kreeg met niet alleen dagloon maar ook de kost en eventueel een
      slaapplaats. Omdat de kosten van levensonderhoud het belangrijkste deel van
      de uitgaven vormen, kon een lager dagloon met kost, meer waard zijn dan een
      hoger dagloon zonder kost.
      >
      > Rekenen
      > Zuidelijke Nederlanden (globaal):
      > 1 gulden of 1 pond = 20 schelling
      > 1 schelling = 12 penningen of 12 deniers
      > 1 penning = 2 obolen
      > of
      > 1 gulden = 20 stuivers
      > 1 stuiver = 4 oort
      > 1 oort = 2 negenmannekens
      > 1 oort = 18 myten
      > 1 stuiver = 3 plecken
      > 1 pleck = 24 myten
      >
      > Noordelijke Nederlanden (globaal):
      > 1 gulden = 20 stuiver
      > 1 stuiver = 16 penningen
      >
      > Voorbeeld (1 stuiver = 16 penningen):
      > 1.19.12
      > 0.13.11
      > --------- +
      > 1.32.23 = 1.33.7 = 2.13.7
      >
      >
      > Noteren en rekenen
      > (Uit: L.M. Hollestelle e.a. (red.), Werken met Zeeuwse bronnen, Amsterdam,
      1998)
      >
      > http://www.dse.nl/leende/pw/onderwijs.htm
      > Fragment uit: Geschiedenis onderwijs in Leende(c) Piet Willems
      > Eikenlaan 9 5595 AG Leende ; Tel. 040 2061429 30 juli 1996
      >
      > Toen Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant op 5 december 1873 met een
      circulaire ook het gemeentebestuur van Leende aanschreven om de jaarwedde
      van de onderwijzers te verhogen, kregen ze vijf dagen later al namens de
      gemeenteraad een uitvoerig antwoord. Daarin stond dat de Leendse raad
      besloten had de jaarwedde van Borsten niet te verhogen. Hij genoot al een
      wedde van 450 gulden met een inkomen van 20 cents per leerling die de
      avondschool bezoekt, schreven burgemeester en wethouders, en dat is meer dan
      zijn inkomen van voor de invoering van de wet van 1857, en dat lag al 50
      gulden boven het bij de wet gevorderde minimum. Ter toelichting van zijn
      handelwijze schreef de raad, dat Borsten 'behoort tot de welgezeten
      ingezetenen dezer gemeente en zijn neven zaken schijnen hem een bestaan op
      zich zelf op te leveren. Hij heeft twee huizen en landerijen als zijn
      eigendom, waarvan hij het eene huis met zijn gezin bewoont en verhuurt de
      gemeente onderwijzerswoning, welke in goeden staat is onderhouden. Zijnde
      zijn winkel in manufacturen kruidenierswaren, boterhandel en koperwaren uit
      de koperslagerij zijns zoon die bij hem inwoont, wel beklant, terwijl zijne
      betrekking invloed erop uitoefent. Mede levert het Agentschap van eene
      brandassurantie hem nog wat op. Bovendien heeft hij landbouwbedrijf, zoodat
      hij in gunstige omstandigheden verkeert. In 1834 is hij als onderwijzer
      alhier aangesteld zoodat hij in Januari van het volgend jaar 40 jaren dienst
      heeft, en aanspraak op pensioen kan maken. Door de vestiging der hulpschool
      op het gehucht Strijp, is sedert zijne jaarwedde regeling zijn werkkring
      veel verminderd. Wij hebben aldus besloten zijn inkomen niet te mogen
      verhoogen, te meer daar als hij zijn pensioen zal vragen, de gemeente dan te
      zeer gedrukt zal worden omdat de inkomsten geheel uit belasting gevonden
      worden.
      >
      > Bij het vaceren dezer school zullen wij welligt verpligt zijn eene hoogere
      jaarwedde uit te schrijven om een bekwamen onderwijzer te erlangen volledig
      bekend met de nieuwe leerwijzen.
      >
      > De Jaarwedde van den Hulponderwijzer aan de Hulpschool Strijp bedraagt f
      325,- met vrije woning en grooten tuin en 20 cents voor iedere leerling voor
      de avondschool. Voor een jong mensch is dit inkomen voldoende en wordt dit
      ook erkend door de menigen der hulponderwijzers die om deze betrekking
      gevraagd hadden.
      >
      > PS Het aantal der schoolgaande kinderen zal op de helft gaan verminderd
      worden door het vestigen van een Liefde gesticht alhier, bestemd voor het
      lager onderwijs en handwerken voor meisjes, waarvoor de gelden reeds
      beschikbaar zijn.'
      >
      > http://www.kolumbus.fi/marley/hoevelak.htm
      > Een geschiedenis van een Dorp en wat over een familie Leijenhorst, met en
      zonder Van.
      > Samengesteld door Martinus Leyenhorst.
      >
      > Uit gegevens uit het archief van de familie Schimmelpenninck blijkt, dat
      de boerderij Leijenhorst een bepaalde periode geexploiteerd is voor rekening
      van de al eerder genoemde Baron A.J. Zijn kasboek doet vermoeden dat hij met
      de exploitatie begonnen is in Februari 1857. Hij pacht Leijenhorst van zijn
      moeder voor f 485,- per jaar. Hij leent een be-drijfskapitaal van haar (van
      Mama) van f. 4.548,- en gaat daarmee aan de slag. Zijn landbouwkundige
      interesse blijkt duidelijk uit de zeer minutieuze opstellin-(bladzijde
      75)gen die hij heeft gemaakt van de inkomsten en uitgaven.Over de jaren
      1857-1860 zijn dagboeken opgemaakt, niet alleen de kas betreffende maar ook
      met beschrijving van het weer (de warmte-opgaven zijn genomen op een
      thermometer hangende op het zuiden en dagelijks te twaalf uren), de
      werkzaamheden op het land enzovoorts.
      > Omdat de bewaarde gegevens een aardig overzicht geven van het reilen en
      zeilen van een boerenbedrijf in het midden van de vorige eeuw, vermeld ik
      hierbij een aantal feiten. Op het bedrijf zijn in 1857 werkzaam:
      > de "bedrijfsleider" Toon (Antonie) Kraaikamp, die verdient
      f 182,-
      > zijn vrouw Mina, met een inkomen van f 52,-
      > de "meid" Wilhelmina Buijs f 50,-
      > de knecht Jan van Kommeren f 85,-
      > de knecht Gijs van 't Veld f 98,-
      > en de knecht Hannes Walet f 68,-
      > De knechten worden ingehuurd voor de periode van 9 februari tot 18
      oktober; voor dat tijdvak beuren zij de genoemde bedragen. Bij de in
      diensttreding krijgen de knech-ten en de meid f 3,- handgeld; dit bedrag
      mogen zij houden indien zij tot 18 oktober blijven. De rest van het loon
      wordt in ��n termijn op de laatstgenoemde datum uitbetaald. Naast dit vaste
      personeel zijn er ook regelmatig dagloners in dienst. Vooral het wieden van
      de akkers wordt gedaan door dergelijke losse krachten. In juli 1859 verdient
      de voorwiedster T.Boshuizen 45 ct. per dag, de wieders P. van Es, L. Beitler
      en M. Wernsen 40 ct. en W. Wernsen 30 ct. Ook bij het hooien, oogsten van de
      gewassen, het grasmaaien en het spitten werd wel een beroep gedaan op
      dergelijke krachten. Het bedrijfsgebeuren werd regelmatig opgeluisterd door
      het nuttigen van jenever; uit het kasboek blijkt de aanschaf bijvoorbeeld
      bij het inhalen van de oogst, het legen van een put, het grasmaaien en het
      opladen van varkens (bij aflevering). Toon Kraaikamp houdt als
      bedrijfsleider een kasboek bij, waarin hij alle dagelijkse uitgaven en
      inkomsten verant-woordt. Eens per week wordt er afgerekend met de heer
      Schimmelpenninck. Uit diens boekhouding blijkt, dat Toon recht had op een
      "omzetprovisie": 1% van de opbrengst van de produkten werd aan hem
      uitbetaald. Het kasboek van de baron vermeldt ook berekeningen van zijn
      winsten en verliezen. Op 15 november 1857 is gekocht het 5e mestvarken; dit
      is geslacht op 9 november 1858.
      >
      > Hij heeft in 51 weken gebruikt:
      > 2827 kop karnemelk: de 20 kop 6 cts f 8,48
      > 7 1/2 mud aardappels f 12,00
      > 1 1/4 mud roggemeel f 8,05
      > brand voor stoken van de oven f 1,75
      > inkoop (aankoop-prijs) f 6,25
      > onkosten f
      36,53
      > Opbrengst:
      > het woog schoon 170 pond � 40 cts f
      68,--
      > 7 voer mest � 1,50 = f 10,50
      > 3 voer mest � f 2,-- = f 6,--
      >
      f 16,50 f 84,50 voordeel f 47,97
      > (bl. 76) Uit de cijfers blijkt dat nagenoeg alle varkens in de periode
      1857 - 1861 een voordeel hebben opgeleverd. Grote winsten heeft de boerderij
      echter niet opgebracht: de rekening over 1858 vermeldt een batig saldo van
      f182,63.
      >
      > http://www.sdu.nl/uitg/geschiedenis/ijkpunt/1650hfdst.html
      > Prof.dr. Willem Frijhoff, historicus aan de Vrije Universiteit Amsterdam,
      en prof.dr. Marijke Spies, tot voor kort werkzaam als neerlandica aan
      dezelfde universiteit, beschrijven in Bevochten eendracht de
      cultuurgeschiedenis van de Republiek: filosofie, godsdienst, kunst,
      literatuur, muziek, sociale cultuur en culturele infrastructuur.
      > Een deel van het eerste hoofdstuk van "1650 - Bevochten eendracht" is hier
      te lezen.
      >
      > (Loon en inkomen)
      > Het bestaansminimum voor een huishouden in de Hollandse steden wordt voor
      1650 op inkomsten ter hoogte van 200 gulden geschat. Het jaarinkomen van een
      ongeschoold arbeider bedroeg er toen zeker niet meer dan 240 gulden, eerder
      minder, waarbij dan nog wat moeilijk te becijferen extra inkomsten van
      andere gezinsleden kunnen komen. Ter overbrugging van momenten zonder werk
      of inkomen, maar ook om zich te vestigen, zijn huis in te richten, bij
      ziekte en grote uitgaven voor kleding of huwelijk moest men zich in de
      schulden steken en bleef van het magere salaris nog minder over.
      Werkloosheid, ook tijdelijk, werd al gauw een kleine ramp voor het gezin. De
      koopkracht werd bovendien be�nvloed door de van jaar tot jaar sterk
      wisselende prijzen van de eerste levensbehoeften. Hoewel de nominale lonen
      sedert de Opstand heel sterk waren gestegen, gold dat veel minder voor het
      re�le loon, dus voor de koopkracht. Rond 1650 was die in een dal geraakt
      waaruit ze de komende decennia weer snel omhoog krabbelde om in de jaren
      1680 een hoogtepunt te bereiken. De jaren na 1650 vormden de doorbraak van
      de gouden eeuw voor de gewone man. De lonen bleven op peil, en door de bank
      genomen stegen de prijzen niet, ze konden zelfs dalen. Hoewel vier vijfde
      van de bevolking minder dan 600 gulden per jaar verdiende, bedroeg het
      gemiddeld gezinsinkomenvan die grote groep naar schatting toch zo'n 363
      gulden.
      > Iets hoger in de maatschappelijke orde waren ook de salarissen wel wat
      vetter. Een dorpspredikant verdiende zeker tweemaal zoveel als een arbeider,
      maar hij had dan ook beroepskosten en standsverplichtingen. En vooral: zijn
      vrouw kon het zich eigenlijk niet veroorloven erbij werken - iets wat voor
      een loonarbeider vanzelfsprekend was. Een predikant genoot maatschappelijk
      aanzien en cultureel prestige, zeker op het platteland waar hij niet zelden
      de enige intellectueel geschoolde was, maar financieel was het voor hem
      beslist geen vetpot. Boeken, papier, pennen en inkt, een mantel en hoed voor
      hemzelf, een passende muts en 'japonse rok' voor zijn vrouw waren uitgaven
      waarop niet kon worden beknibbeld maar die bij tegenslag al gauw de nodige
      hoofdbrekens kostten. In een pamflet van 1658 berekende zo'n predikant dan
      ook uitvoerig waarom een salaris van 500 gulden voor hem ontoereikend was.
      Nevenwerkzaamheden (betaald schrijfwerk, lesgeven, land of tuinbouw, ja
      handel) waren dan ook nauwelijks te vermijden wilde zo'n dominee zijn stand
      op kunnen houden. Dat gold ook voor leraren aan de Latijnse scholen. Ze
      kregen een vergelijkbaar salaris dat werd aangevuld met bijlessen en het
      houden van kostleerlingen. Bedeelden of weeskinderen moesten het met minder
      dan een kwart van dominee's salaris doen: honderd gulden per jaar was voor
      hen al heel mooi. Een matroos op een haringbuis verdiende in 1658 per maand
      12 gulden, met een toeslag in haring. Voor gewone soldaten als piekeniers en
      musketiers bedroeg het minimumloon 11 gulden per 'heremaand' maar die
      'maand' duurde 42 dagen. Het was dus in geen geval een vetpot. Maar de
      Republiek onderscheidde zich tenminste van nogal wat andere Europese staten
      door de relatief betrouwbare betalingspraktijk van de overheid, zodat aan
      ambtenaren, predikanten, loonarbeiders en soldaten een minimale
      bestaanszekerheid gewaarborgd was.
      > .....
      > (Belastingen)
      > Waar precies in de belevingswereld de drempels van het persoonlijk
      vermogen lagen blijkt uit de termen 'kapitalisten', in 1653 in Holland
      ingevoerd voor degenen die een vermogen van meer dan 2000 gulden bezaten, en
      'halve kapitalisten', voor vermogens boven de 1000 gulden. Hoewel het
      uitermate moeilijk is om inzicht te krijgen in de re�le belastingdruk die op
      de huishoudens rustte, is berekend dat rond 1650 de bovenste 30% van de
      samenleving in totaal gemiddeld zo'n twintig gulden per hoofd aan
      belastingen betaalde, de onderste 70% ruim elf gulden per hoofd. Twee
      conclusies dringen zich op: naarmate een gezin groeide woog de belastingdruk
      zwaarder, en gezien de grote verschillen tussen de inkomens werd de betere
      burgerij door de fiscus relatief ontzien. De belasting was in feite niet
      progressief, maar regressief. Maar in tegenstelling tot de meeste andere
      landen van Europa bestond er in de Republiek nauwelijks belastingvrijdom op
      grond van heerlijke of kerkelijke voorrechten. Iedereen - of bijna
      iedereen - was voor de fiscus gelijk.

      Met vriendelijke groet, tekent
      Harry van Deelen




      Msg #




















      [Non-text portions of this message have been removed]
    Your message has been successfully submitted and would be delivered to recipients shortly.