Loading ...
Sorry, an error occurred while loading the content.
 

FW: Old history about Leeuwarden (from 'Down Under')

Expand Messages
  • Andrys Stienstra
    Doorgestuurd op verzoek van Henk Horchner To whom it may concern: 21/3/2007 from Brisbane Australia Ik denk dat de volgende van mijn grootvader Jacob Albert
    Message 1 of 1 , Mar 21, 2007
      Doorgestuurd op verzoek van Henk Horchner

      To whom it may concern: 21/3/2007 from Brisbane Australia

      Ik denk dat de volgende van mijn grootvader Jacob Albert Kuitert heel
      waarschijnlijk zou van interresant zijn tot de leden van de
      Friesland-Genealogy society en misschien iets voor de 'Leeuwarden Courant'
      en de 'the Feanster' in Buitenpost (Surhuisterveen).
      Het is alleen dat gedeelte van zijn levensloop herinneringen op tot het jaar
      1900 dat ik hier heraal.

      Als zijn grootzoon nu levende in Brisbane Australia zou ik graag te weten
      komen van de volgende.
      1. Weet iemand its over de Kuitert en Smit familie voor het jaar 1867?
      2. Heeft iemand nog enig informatie tot hoe zijn familie zoals Antje Smit
      was lid in de Doopsgezinde Gemeente in Friesland?
      3. Tante Coba's schildrerij in haar roll als a Spanje danceress in 1979 hing
      in de Groningen Schouwburg aan de recter kant in de Foyer net naast the
      stopen naar de 'Dress-Cicle.' Zou iemand weten waar dat schilderij nou is?

      Mijn oma haar naam voordat zij trouwde Jacob Albert Kuitert heete Antje SMIT
      en was geboren op de 17/9/1866. Zijn waren getwroud in Amsterdam op de
      5/11/1890

      Het is miscchien ook interzant dat de twee oudste kinderen van 8 kinderen
      alle twee, waren later Ridders van Oranja Nassua. Jacob (Jan Kuitert) in
      1946 voor zijn werk in finaciele werken voor het rijk na de oorlog en Coba
      Kelling (Zomerschoe-kuitert) de tooneelspeelster op haar 50 jarige Jubileum
      in September 1967 in Rotterdam. Tom en Jack Kelling waren twee van drie
      Coba's zoons. Kelling waren hun toneel's and radio en film actor namen. Hun
      eigenlijk achternaam was Zomerschoe

      I would appreciate some feedback if this is what your society be interested
      in?
      Kind regards
      Henk Horchner JP
      1 Waterbrook Court
      Bracken Ridge 4017
      Brisbane Queensland Australia
      e-mail: HenkDeniseHorchner@...
      Een Extract 1867 - 1900
      Het Schrijfboek van Jacob Albert Kuitert, geboren 28 Juli 1867.

      *(Writing book of J A Kuitert, born 28 July, 1867)
      overgeschreven door Wilhelmus Johannes Hörchner, op 2 Mei, 1979.
      *(Copied by W J Hörchner on 2nd May, 1979.the father of Henk Horchner.)

      "Herinneringen uit mijn Levensloop."
      bij Jacob Albert Kuitert
      "Op 28 Juli 1867 werden mijn ouders verblijd met de geboorte van 2
      jongens, n.l. mijn broer Frits en mijn persoontje.
      Zooals ik later wel van vader en moeder hoorde, was mijn broer een heele
      dikke jongen en ik een zeer magere schreeuwert. De dikke scheen niet veel
      levensvatbaarheid te hebben, althans na 3 dagen was hij overleden. Ik hoor
      mijn beste moeder nog zeggen: ,,De dokter houdt het met de magere”, en
      helaas heeft hij gelijk gehad. Wat heeft het mij in mijn later leven veel
      verdriet gedaan, dat ik geen broer meer had. Ik had dat dolgraag gehad, maar
      het heeft zeker niet zoo mogen wezen.
      Mijn ouders hadden bij mijn geboorte reeds 2 dochters, n.l. Pietje en
      Martha. Wat was mijn vader blij met zijn twee jongens, en kon ik begrijpen,
      hoe hij schrok, toen mijn grootvader van moeders zijde, toen hij vader kwam
      afhalen, om de geboorten aan te geven, hem reeds van verre toeriep: ,,We
      hebben maar een aan te geven, Jan, want er is al een dood”. Twee en een half
      jaar naderhand, kwam er nog een meisje bij, Grietje, zoodat wij dus met 4
      kinderen waren.
      Daar mijn vader een klein loon had, ik meen 7 à 8 gulden, kwam er heel wat
      kijken om rond te komen. Ik heb dan ook wel gehoord, dat moeder, die ruim
      voorzien was van de natuurlijke moedermelk, dit met een vreemd kind en haar
      eigen moest deelen, om wat er bij te verdienen.
      Vader zag er ook wat bij te doen, en werd toen nachtwacht. Deze functie
      bestond toen in die jaren nog. Ik meen mij nog te herinneren vader op een
      avond nog gezien te hebben, met een heele lange jas aan, een dikke muts op
      voor de koude, en een groote sabel op zijde, en een ratel in den hand,
      zooals ze tegenwoordig bij de stadsreiniging hebben, met dit verschil, dat
      ze konden ratelen van links naar rechts bij het afroepen der halve en heele
      uren.
      Was er echter wat aan ’t handje, dan werd de ratel van rechts naar links
      gedraaid, en kwam er dan een snerpend geluid, dat alarm beteekende, en op
      tamelijken afstand was te hooren, en kwamen er dan andere wachts opdagen.
      Aan de sabel hadden ze niet veel, daar er zeker 2 man voor noodig waren, om
      deze uit de scheede te trekken, zoo was dat ding vastgeroest.
      Het heeft mij altijd verwonderd, dat vader dat eenige jaren heeft
      uitgehouden. Overdag hard werken, en ‘s nachts op straat. Hij sliep dus
      enkel ‘s avonds, als hij van zijn werk kwam een paar uren, en moest dan zijn
      nachtwachtspullen aantrekken, en in weer en wind op straat zijn. Wij waren
      toen nog te klein, om te beseffen, hoe onze beste vader wel voor ons heeft
      gezwoegd, ook al ten koste van zijn nachtrust.
      Ik was onder de hand circa 7 jaar geworden, en was al een en een half jaar
      op school, toen de nachtwachten werden afgeschaft, en men gewone politie
      nachtdienst kreeg. Ze noemde dat vierde klasse-politie, en werd vader
      nachtwacht af. Er moest nu wat anders opgevonden worden, daar wij alle 4 wat
      grooter werden, en ook wat meer noodig hadden. Vader schafte zich toen een
      totebel (kruisnet) aan, en ging dan ‘s nachts uit visschen op aal. Dit moest
      speciaal ‘s nachts gebeuren en kwam hij dan circa 4 tot 5 uur in den morgen
      thuis. Dan een paar uur slapen, en op 7 uur naar zijn werk. Dat visschen
      gebeurde wel niet alle nachten, maar zeker 3 tot 4 keer in de week, al naar
      gelang het weer was. ‘s Morgens moesten mijn oudste zusters de gevangen aal
      bij mensen rondventen, en dan gauw naar school. Ik was toen nog te jong om
      mee te gaan, maar toen ik een jaar of tien was, precies weet ik het niet
      meer, ging ik ‘s nachts ook mee, om de wip te helpen trekken, de praam
      helpen trekken enz. enz., en kreeg ook het baantje van aal venten.
      Dientegevolge had ik tusschenbeide op school te worstelen met de slaap, en
      zat ik ook meer dan eens te slapen, en natuurlijk last met meester, en vroeg
      hij, hoe of dat zoo kwam. Nadat ik het hem had uitgelegd, keek hij het wel
      een beetje door de vingers, daar ik toen heel goed kon leeren, en ik er niet
      door achter kwam, en evengoed mijn loffelijk ontslag kreeg, gelijk met de
      andere jongens.
      Ik was toen circa 12 jaar, en wat zou ik nu worden?
      Naast mijn vaders patroon, had je toen een meubelzaak van Antonius, en
      sprak vader die mijnheer eens aan, en kon die wel een jongmaatje gebruiken.
      Ik kwam daar toen in dienst van ‘s morgens 7 tot ‘s avonds 8 uur, tegen een
      loon van 25 cent per week. Wanneer vader en ik gingen visschen, mocht ik wat
      vroeger weg, en ging dan met de praam vooruit, langs de Dokkumer Ee, naar
      Lekkum of verder, en sloeg dan de netten aan, en was dan net daarmede
      gereed, toen vader arriveerde, en kwam dan ‘s nachts om een uur of 4 thuis.
      Moeder kon al aan ons thuiskomen hooren, of wij veel gevangen hadden, maar
      dat ging op en af, dat hing grootendeels af, hoe of de stroom was.
      Bij mijn baas moest ik de eerste week de slijpsteen, waarop de knechten
      hun bijtels slepen, vlak schuren, en zat de geheele dag maar de steen heen
      en weer te trekken, want het was een vlakke steen en geen ronde, en waren er
      door de beitels heele gleuven in gekomen. Dat geestdoodende werk, hing mij
      al gauw de keel uit, en was ik er zoowat 3 weken geweest, toen ik mijn
      onderwijzer tegenkwam, n.l. de Heer Visser, en informeerende wat of ik deed,
      en ik hem dat had uitgelegd, vond hij dat jammer voor mij. ‘s Avonds kwam
      hij bij ons thuis, en zei tegen vader: ,,Hoor eens Kuitert, ik heb van je
      jongen gehoord, wat of hij nu doet, en dat is zonde, de jongen kan veel te
      goed leeren, en raad ik je aan, hem weer op school te doen, dan krijgt hij
      van mij met een paar andere jongens, die ook goed konden leeren, apart les
      voor de Burgerdagschool, en wil ik daar niets voor hebben!”.Vader ging
      daarop in, want had ook wel gemerkt, ik niet veel zin had, om kastenmaker te
      worden, en zoodoende kwam ik weer op school, en na een half jaar deden mij
      examen en slaagde allen.
      Ik kwam dus nu op de school van Middelbaar Onderwijs. Tegenwoordig is dat
      de Hoogere Burgerschool, 3 jarige.
      Wij leerden daar Fransch, Scheikunde, Natuurlijke Historie enz. enz.
      Enfin, ik haalde gemakkelijk mijn einddiploma, en moest nu de wereld in.
      Vader kende de directeur van Van Gend en Loos, en werd ik daar geplaatst als
      volontair.
      Intusschen waren mijn oudste zusters gaan dienen, en werd het voor vader
      en moeder wat ruimer.
      Ok was al spoedig op kantoor ingewerkt, en vond het expeditievak prachtig.
      Wij kwamen ‘s morgens 8 uur op kantoor, tot ‘s avonds 10 à 11 uur. Zondags
      de eene keer 8-1 uur, de andere Zondag 2-10 uur. In de week van Sint
      Nicolaas bleven we op kantoor slapen, en kwamen de heele week niet thuis. Na
      afloop van die week, kregen we een gratificatie van f5.- (zegge vijf
      gulden). Wij hadden het in die week best van eten en drinken, en hadden ook
      goede slaapplaatsen.
      Ik was al gauw zoo ver, dat ik de besteller, als er een ziek was, kon
      vervangen, en was ik wat blij, als dat het geval was. Ik ging dan met de
      wagen ‘s morgens naar het spoor, om onze wagon te lossen met de vele pakjes.
      Deze moesten allen in een bestelboek worden ingeschreven, en toen naar de
      Woonplaatsen worden gesorteerd, en ging ik het dus bestellen. Het ging toen
      nog met paard en wagen, en deed ik dat wat graag. Er was een koetsier (Manus
      heette hij), die zoo sterk was, dat hij het paard op kon tillen. Meer dan
      eens, heb ik dat gezien.
      Ik was voor een jaar als volontair aangenomen, en toen die tijd om was,
      zeide Mijnheer Posthuma, de vader van oud minister Posthuma tegen mij:
      ,,Hoor eens Koos, je bent nu een jaar hier, en ga je nu geld verdienen. Laat
      je vader hier vanavond maar eens komen.” Nu, vader kwam, en vroeg hoeveel ik
      nu zou gaan verdienen, en zei mijnheer Posthuma: ,,Nu, wij hadden gedacht,
      50 cent per week.” Toen werd ik zoo nijdig, dat ik riep: ,,Dat verdom ik,
      neem voor mij maar een ander!” Dat viel hem niet mee, maar meteen had ik een
      tegenzin gekregen, en was er een plaats vrij bij een broer van hem, die ook
      een expeditiekantoor had, en agent van verschillende
      Scheepvaartmaatschappijen was. Ik geloof, precies weet ik het niet meer, dat
      ik f1.- zou verdienen. Ik ben daar circa 1 jaar geweest, en schreef op een
      betrekking bij de firma Kleingeld en de Vlies (Vries?), marchand tailleur.
      Ik slaagde daar, en ben daar circa twee en een half jaar geweest, en was ik
      in de boekhouding al aardig thuis.
      Op een keer, kreeg ik woorden met De Vlies, welke zoo hoog liep, dat ik
      mijn ontslag kreeg. Ik zocht toen wat anders, en kwam als reiziger bij
      Meijer Levie, in een tamelijk groote zaak in biscuits, pepermunt, drops,
      suikerwerken enz.
      Ik ging ‘s Maandags morgens met mijn monsterkist op stap, en ging dan
      zoowat heel Friesland door, en kwam Donderdag ‘s avonds met de verkregen
      orders thuis, die van Vrijdags (marktdag) met de verschillende schepen
      moesten verzonden. Dat ging heel aardig met den verkoop, en ik had in 14
      dagen voor circa f450 verkocht, waarvan ik, behalve salaris, 1% provisie
      had. Ik was toen Donderdags thuis gekomen, en ging ‘s avonds naar kantoor,
      en vond alles gesloten. Tot mijn schrik hoorde ik toen, dat mijn patroon
      zichzelf van het leven had beroofd. Ik zat dus weer zonder werk. Mijn
      provisie heb ik naderhand gekregen, daar moeder er op afging, en op het
      laatst hun zoo lastig maakte, dat ze het betaalden.
      Intusschen was de tijd gekomen, dat ik moest loten. Ik was toch vrij, daar
      ik eenigste zoon was, maar moest toch loten. Ik sprak toen met vader en
      moeder, wat of zij ervan dachten, ik het eens in Amsterdam zou proberen.
      Mijn oudste zuster Pietje woonde daar, en kon ik daar in huis. Na veel
      wikken en wegen werd daartoe besloten, en ging ik 14 April 1887, per
      nachtboot naar Amsterdam, en kwam ‘s morgens om 6 uur aan. Op mijn schouder
      een stok, waaraan voor en achter een koffer. Ik keek mijn ogen uit, zooals
      alles mooi versierd was, ter gelegeheid van: het 40 jarig jubileum van
      koning Willem III.
      Overal eerepoorten en versieringen. Dat was een geheele week van
      feestvieren, en toen dat voorbij was, ging ik met mijn zwager Jan Vuurens,
      die stoker was op de waskaarsenfabriek, naar de chef de heer Koster,
      waarmede hij goed was bekend. Ik werd toen aangenomen voor de zoogenaamde
      spijkertafel, tegen een loon van 8 cent per uur. Daar het op dat moment niet
      druk was, werkten wij maar 60 uur per week. Ik verdiende dus de eerste tijd
      niet meer dan f4.80 per week. Daar moest mijn kostgeld nog af, zoodat het
      allesbehalve vet pot was. Hij was echter door den chef in uitgezicht een
      bevordering gesteld, en dat troostte mij wel wat. Overigens was het hard
      werken, en ik zoo’n beetje in de hel verzeild, daar het volk, waarmede ik
      werkte, mij op allerlei manieren gingen pesten, daar zij spoedig in de gaten
      hadden, dat ik van een heel ander gehalte was. Ik heb dan ook meningmaal van
      mij vuisten gebruik moeten maken, als het mij te erg werd. Klagen bij de
      chef wilde ik niet. Langzamerhand begon ik een beetje te wennen, en spoedig
      was ik het werk meester. Het duurde dan ook niet lang, of ik kreeg 2 cent
      per uur opslag, en na een jaar kreeg ik f8 (per week) vast. Dat bracht onder
      mij maats een totale revolutie teweeg, maar ik sloeg er mij wel doorheen. De
      baas waaronder ik direct werkte, Gustaaf Eilders, was alle dagen dronken, en
      daar hij wel had opgemerkt, dat ik veel meer ontwikkeld was dan hijzelf, zat
      mij echter ook dwars. Die dronkenschap werd od het laatst zoo erg, dat wij
      hem achter de kisten wegstopten, als de directeur de dagelijksche ronde kwam
      maken, en slipe hij daar dan zijn roes uit. Evenwel kon dat niet steeds
      verborgen blijven, en op een gegeven moment liep het in de gaten, en kreeg
      hij zijn ontslag, en werd ik geroepen in zijn functie te treden als
      magazijnmeester, en kreeg tevens f2.-per week opslag, zoodat ik toen f10.-
      per week had. Het spreekt vanzelf, dat de andere lui daarover achter mijn
      rugh gingen kletsen en stoken, maar daar trok ik mij niets van aan.
      Ik heb nog vergeten te vermelden, dat mijn jongste zuster Grietje ook in
      Hokum was komen dienen, en wel in de P.C.Hoofdstraat, en ging ik dikwijls ‘s
      avonds heen.
      Op een keer trof ik daar Anna Smit, die ook in Hokum diende, maar het niet
      zoo best had getroofen in haar dienst. Daar mij zuster zou weggaan om
      verpleegster te worden, vroeg zij dien avond, of Anna Smit in haar dienst
      wilde komen, en raakte dat meteen klaar. Het spreekt vanzelf, dat ik Anna ‘s
      avonds naar huis bracht op de Muidergracht, en afsprak, haar des Zondags te
      halen. Ik had haar altijd gekend, en kwamen wij als kinderen veel bij
      elkaar. Nu, hoe gaat het dan. Na een poosje, vroeg ik haar om verkeering, en
      was dat voor elkaar, en had ik mijn andere helft gevonden, waar ik bijna 47
      jaar mee getrouwd ben geweest.(Zij was gestroffen in de Goeverneur laan in
      Den Haag 1939 door Diabetes, zuiker)
      Intusschen was mijn zuster, waar ik in de kost was, met haar man naar
      Grouw vertrokken, waar hij stoker was geworden aan de nieuw opgerichte
      Waterleiding te Leeuwarden, en moest ik een ander kosthuis zien to krijgen.
      Ik ging toen in een Volkslogement in de Korte Leidschedwarsstraat en had
      daar een slaapkamertje en beneden in de zaal verkeerden wij ‘s avonds met de
      andere kostgangers, en zaten dan te dammen enz.
      Op een nacht, 19 Februari 1890, Konings verjaardag, werden wij eensklaps
      opgeschikt, door de directeur van het logement, met de kreet: ,,Er uit
      jongens, de Schouwburg staat in brand.” Deze was vlak voor onze straat .
      Grooter brand heb ik nog nooit gezien.
      Het beviel mij op den duur toch niet, en kwam toen in de kost bij een
      zuster van Jan Vuurens, en had daar een aardig kamertje. Op de fabriek was
      het toen erg druk, zoodat wij wel weken maakten van 120 uur, n.l. 3 nachten
      in de week. Enfin, ik was jong en sterk, zoodat ik mij daar wel doorheen
      sloeg. Wij hadden nu 2 en eenhalf jaar verkeerd, en daar wij steeds onder
      vreemden moesten verkeeren, begonnen wij er aan te denken, om een eigen
      huishouding op te zetten. Ik verdiende wel maar f10.- maar had het
      vooruitzicht wel, op te klimmen. Wij zetten het door, en op 5 November 1890,
      trouwden wij.
      Mijn vader en moeder en mijn schoonvader kwamen uit Leeuwarden over, en
      hebben wij een leuke dag gehad. Onze Huwelijksreis was ‘s middags, met het
      geheele gezelschap een tochtje met de paardetram zonder rails, naar de
      buitenkant, 5 cent de persoon. ‘s Avonds hadden wij in onze eigen woning op
      de Ruysdaelkade 85 een pretje, hetwel echter niet laat kon worden, daar ik
      ‘s morgens om 6 en een half uur weer op de fabriek moest zijn. Zoo hadden
      wij dus, moeder en ik, ons eigen tehuis en Oh! Wat voelden wij ons erg
      royaal, maar spoedig kreeg ik f1.- opslag, daar de tijdschrijver van de
      kistenmakerij was overleden, en ik dat werk er bij kreeg.
      Op 22 Januari 1892 kwam onze eerste zoon Jannes.(Jan) Oh, wat waren wij
      daarmee in de wolken, en wat was het een baasjongen , en alles ging zoo goed
      als het kon.
      Het volgende jaar 28 Juli 1893 kwam ons tweede, een ferme meid Jacoba
      (Coba) genaamd, die eveneens een lust was om te zien.
      Intusschen had ik weer een baantje op de fabriek van administratieven aard
      er bij gekregen en had nu f12.- p.w.
      Na 1 en eenhalf jaar kwam weer de ooievaar, en werd Pieter Klaas geboren,
      een bul van een jongen. Na verloop van een jaar kwam ons eerste verdriet.
      Jan en Coba kregen de mazelen, en naderhand, onze eerste Piet, die helaas
      het slachtoffer er van werd. Hij werd hoe langer hoe minder, en op het
      laatst, was het afgelopen. Het heeft een heele tijd geduurd, voordat wij
      daar over heen waren. Het was zoo’n lieve jongen, en er was op het laatst,
      bijna niets meer van over.
      Maar het leven eischte weer ons op, en eenige weken hiervoor, hadden wij
      een flinke jongen gekregen, ons Koos, en was die ons, na ons verlies, van
      harte welkom.
      Daar wij nu al 3 kinderen hadden werd de spoeling weer dunner, maar er
      kwam weer uitkomst, want er ging iemand weer weg van de fabriek, en wel de
      loonadministrateur, en kreeg ik dat baantje er weer bij, en werd mijn
      salaris weer verhoogd.
      Op 19 Februari 1898, deed onze tweede Pieter Klaas zijn intrede in de
      wereld, en op 17 December 1899 kwam Jan Folkert.
      Dit was meteen een keerpunt in mijn leven, want op 13 Januari 1900, werd
      ik in tegenwoordigheid van alle opzichteressen, door de Directie aangesteld,
      als chef over de kaarsenafdeling, over een personeel van circa 125 personen.
      Ik maakte toen een sprong van f14.50 per week tot f100.- per maand, en was
      dat in die dagen een mooi iets."

      (Dit is het einde van dat gedeelte tot 1900 forwarded by Henk Horchner)


      [Non-text portions of this message have been removed]
    Your message has been successfully submitted and would be delivered to recipients shortly.